Dagboekfragmenten in juni

’t Regent, ik hou van de regen maar nu even niet. Brugge in de regen is een beetje tristesse, melancholie die binnensijpelt als die drassige neerslachtigheid. Brugge in de regen is als liefdesverdriet, weemoedig zijn om die schoonheid zo te zien. Ik wil niet verdrietig zijn als ik hier ben, mijn toevluchtsoord voor die dagdagelijksheid, eventjes ontsnappen aan die sleur van mijn leven. Mijn pet en lichte regenjas beschermen me nauwelijks tegen die drassige regen die onophoudelijk zabbert en diep in je kleren sluipt en alles klam en vochtig maakt. Ik stap door op de natte kasseien, mijn broekspijpen zijn onderaan al kletsnat door het opspattend water. Die kasseien zijn glibberig gevaarlijk, er staan overal waterplassen. Ondanks dit druilerig weer wil ik buiten zijn, nog even doelloos rond zwerven, het verstand op nul, aan weinig denken. Na een tijdje verlang ik naar een droge plek om te schuilen, een warme koffie, een rustplek die mijn vermoeidheid doet verdwijnen. Mijn gevoel van alleen zijn die alsmaar toeneemt door in de miezerige regen te lopen. Ik vind een afgezonderd plekje, er zit een koppel aan een tafeltje, verder is het leeg en ik zit helemaal achteraan in een hoekje. De warme koffie verjaagt de kilheid in mijn lichaam, ik neem kleine slokjes, knabbel aan een koekje en zit daar maar de tijd te doen verlopen. De vermoeidheid verdwijnt niet en er hangt een onwennig gevoel in mij. Ik voel me hier verlaten, het verlangen is er weer, iemand aan je zijde te hebben Gewoon iemand om even met twee te zijn.

De grijsheid die de binnenstad omsluit geeft me een beklemmend gevoel die mijn adem doet stokken en ik sluip langs de eeuwenoude gevelmuren, ontvlucht de mensen die hier lopen en zoek de stille verlaten straatjes op. Ik wil weg uit dit uitgeregend Brugge.


Dagboekfragmenten in mei

Er zit nog altijd wat schaamte in mij, die knullige verlegenheid van een onzekere puber. De schaamte van iemand die het leven niet echt beheerst maar gewoon wat tracht te doen alsof hij het leven wel aankan. Stilzwijgend verlegen daar maar staan staren naar diegenen die precies wel succesvol in het leven staan. Ik schrijf, ik krabbel, noteer, ploeter verder met mijn woorden om de frustraties, de bekommeringen, de angsten en onzekerheid van me af te schrijven. Petieterige onbeduidende fragmenten, zinloosheid in de schrijverswereld. Ik ben een sprokkelventje, sprokkel duizenden gedachten. De schoonheid van het alledaagse trachten vast te leggen met mijn fototoestel. Het nooit echt kunnen uitleggen waarom die melancholische  diepe gedachten mij altijd vervullen en de eenzaamheid die je plots overvalt als je naar de regen kijkt en tegen niemand kan zeggen dat je die regen wel schoon vindt. Ik ben maar een sprokkelventje in deze grote wereld.


De vrijdagkronkels op een zondag

Zwervende gedachten verdwalen in een mistige omfloerste wattenwereld. Nog net niet de weg kwijt maar toch blijven zoeken in een kleurloze wereld. Poëtische omschrijving van z’n leven. Hij dacht te veel na en deed te weinig met die gedachten. Op z’n eigen veilige manier bleef hij stilstaan zonder enig risico te nemen. Wachten op wat komen zou tot zelf de gedachten niet meer zullen verdwalen. Dezelfde rituelen op dezelfde dagen. Dezelfde dagen in de dezelfde weken, maanden en jaren. Niets veranderde in zijn leven en toch veranderde alles in zijn leven. Hij werd ouder en mensen verdwenen uit z’n leven.

Daar zit een man te kijken naar mij in de brasserie d’ Halve Maan. Met een Brugse Zot voor hem, in diepe overpeinzingen over wat is geweest en over wat nooit komen zou. Spiegelbeeldman in eenzame overpeinzingen.


Brief aan mezelf

Dag copain, hoe gaat het met jouw in deze bizarre Coronatijden?

Het doet me beseffen dat ik niet meer van de jongste ben en dat ik plotseling als een potentiële risicopersoon gecatalogeerd word. Het maakt me er niet vrolijker op moet ik zeggen om dat te moeten horen en de angsthaas in mij wordt nog banger dan anders. Ik kruip dan nog dieper in mijn eigen cocon , in mijn veilige bubbel. Opgesloten zijn in jezelf als een heremiet in zijn kluis. Zo voel ik me copain.

Ik leer de kunst van het niksen in deze tijd dat we overstelpt worden met goedbedoelde raadgevingen en tips hoe we ons moeten bezighouden om ons niet te vervelen in quarantaine. Ik word er horendol van. Zen zijn wil ik en een meester worden in het niets doen. Luisteren wat mijn lichaam en de natuur zegt. Mijn vliedende gedachtegang trachten te stoppen en rust zoeken. Het is nog zoeken copain om die zenmeester in mij te vinden, de innerlijke zenuwpees trachten te verdrijven ook in niet Coronatijden en me verdiepen in het niksen.

Maar ik ben en blijf een geboren piekeraar en het is vechten tegen de drang om te verdwijnen, de eenzaamheid op te zoeken tot de storm voorbij zal zijn.


De bubbelstille wereld

De bubbelstille wereld waarin hij leeft zonder veel contacten met anderen maakt hem als een moderne kluizenaar. Stilte in zijn hart, de liefde zoekt hier niets meer. De dag voor Pasen, Stille Zaterdag. Hij duikt onder in zijn boeken, verder heeft hij geen verlangens. Nooit ergens, nooit nergens, altijd hier. Hij is een verdwaalde ziel die de weg niet meer weet en hier maar blijft rondhangen. Bladzijde na bladzijde na bladzijde … totdat de stilte hem opslorpt en hij te moe is om verder te lezen.
Op de dag van Pasen is het stil.
Hij zat in die overvolle rommelige voorkamer aan een tafel die hij voor het raam had gezet om toch maar ’s morgens in de zon te zitten. Een voorkamer zoals er in elk oud rijhuis vroeger was. Je had een voorkamer, een achterkamer en helemaal achteraan een keukentje. Zijn huis was zo’n oud huis met die traditionele indeling. Er was enkel zon in de voormiddag in die voorste plek. Een tafel in de zon en hij zat op een stoel, oude meubels die hier stonden van de vorige eigenaar en die hij nooit had weggedaan. Een overvolle rommelige kleine plek vol boeken, kledingstukken, een plek waar dingen lagen die elders geen plaats hadden. Een plek waar hij dingen verzamelde en bewaarde die voor een ander geen waarde hadden. Een plek die enkel een alleenstaande middelbare man zou hebben en in stand houden omdat er toch niemand hier op bezoek kwam.
Het was Pasen en hij zou op deze feestelijke zondag geen bezoek krijgen of een onverwacht telefoontje. Telefoontjes kreeg hij toch zelden of het nu zondag of een doordeweekse dag was. Hij vroeg zich zelf af of hij dat gsm abonnement niet moet opzeggen. Hij betaalde voor iets wat hij nooit gebruikte. Pasen dus, de tijd zou verder tikken in een dag waar er niets gebeurde. Misschien zou hij wat gaan wandelen op zijn eentje. Een beetje doelloos rondstappen om toch wat in beweging te zijn, om de tijd te verdrijven. Ronddwalen, dolen in zichzelf, in zichzelf gekeerd met als altijd de angst die hem vergezelt. Al wist hij niet waarom hij altijd bang was. De angst voor het leven misschien en de eeuwige vraag of dit het nu was. Hij had nooit spectaculaire dingen gedaan of verwezenlijkt. Het was simpel, het leven kabbelde maar verder, een beetje kleurloos en saai, een introverte bange man in zichzelf gekeerd. Hij wou vluchten voor zichzelf, niet meer nadenken… zou hij ooit zijn geliefkoosde Kraków terugzien?


Het jaareinde

Is het je al opgevallen dat het jaar terug begint te korten terwijl de dagen beginnen te lengen?
Hij kreeg dit zinnetje, handgeschreven, op een kaartje toegestuurd van zijn oude vriend. Er zat waarheid in, een nieuw jaar of niet, de tijd knabbelt eraan.
Het was al een tijdje geleden dat hij zijn vriend nog gezien had sinds hij verhuisd was. Een beetje te ver weg voor hem. Hij had een hekel aan auto rijden en alleen met het vliegtuig vond hij ook maar niets. Hij was steeds bang om te vliegen. Ieder mens had wel een reden om bang te zijn.
En nu kreeg hij dit berichtje van zijn vriend op een mooi kaartje met op de voorkant een zwartwit foto met wandelende mensen in tegenlicht. Kleurfoto’s vond hij banaal, te alledaags in deze digitale wereld. Zwartwit doet je kijken, blijft een beetje mysterieus. Hij zat met de kaart in zijn handen aan zijn overvolle tafel vol kranten, tijdschriften en reclameblaadjes. Altijd maar weer die chaos in zijn leven, ordeloos en een beetje slordig. Er was toch niemand die hem op de vingers kon tikken over zijn verzamelwoede van al dat bedrukt papier.
Waarom schreef zijn vriend dit kaartje met slechts één zinnetje ? De winter duurt daar altijd langer dan hier, misschien verlangde hij terug naar de lente, naar het licht. Wachten op het licht. Zoals een fotograaf doet, enkel bij het juiste licht maak je een goede foto.
Hij wachtte ook op het juiste licht in zijn wanordelijk leven. Het was gewoon een kwestie van goed kijken. Zo eenvoudig was het.
Hij zou zijn vriend nog deze week een antwoordje sturen.

“Copain, je mooie kaartje heeft me getroffen, er schuilt een zweem van weemoed in dat ene zinnetje die je geschreven hebt. Vroeger duurde alles langer, het is net alsof men oude mensen een jaar aanbied met veel minder dagen dan bij jonge mensen. Alsof men hen de restjes geeft.
Weet je mon copain waar ik naar verlang ?
De traagheid, daar ben ik op zoek naar. Zorgloos, niets denken. Zen zijn.
Ik ben traag, ik spreek traag, ik denk niet traag. Ik ren heen en weer doorheen de kamers van mijn hoofd.
Het niets, volkomen stilte, geen geluid, geen muziek, stil. Van lawaai word ik onrustig, verdwaal ik weer in mijn gedachten.
Kijken naar iemand, naar haar elegante lijnen, een streepje bloot en terug wegdwalen. Verdwalen in de geur die ze achterlaat, subtiel, een wolkje parfum en meteen weten waar ze was. Iemand aanraken, enkel een vluchtige streling, onbewust of toch wel bewust. Denken aan haar. Die mysterieuze onbekende, voor altijd verdwenen. Een herinnering aan vroeger.”

Zijn huis geurde zo heerlijk naar verse koffie. Een geur die hem altijd melancholisch maakte al wist hij niet waarom. Hij zat daar aan zijn keukentafel met zijn kopje koffie voor zich en keek naar buiten.
De verse koffiegeur deed hem denken aan vroeger. Zijn zorgeloze kindertijd. Alles leek toen zo simpel. Zijn kinderdromen, zijn toekomstdromen. Ach het leven ging zijn gang, met ups en downs. Het eentonig zorgloze bestaan met de alledaagse problemen die zo nietig zijn met het wereldschokkende nieuws die je hoorde. Maar toch was hij ontevreden.
Peinzend slurpte hij aan zijn warme koffie en dacht aan wat er zojuist allemaal door zijn hoofd spookte. Hij had dat veel de laatste tijd. En koffie was een troost.

Tussen schemering en donker is zijn ziel weeral aan het zwerven. Zijn gedachten zweven weer ergens op een plek waar hij misschien nooit zal komen omdat in het diepste van zijn binnenste hij gewoon een thuisblijver is. Geslingerd tussen het verlangen om te reizen en bang te zijn om te vertrekken. Een fladderend bang huismusje zo voelt hij zich.
Alle dagen zwerft hij rond op onbekende plekjes zonder zijn huis te verlaten tot er weer een jaar verstreken is.


Voorbijgaande zomerverhalen

Hij schoffelt voort, hij jakkert verder, vloekt binnensmonds, verwenst iedereen, vooral zichzelf.
Zwoele zomeravond mompelde hij, niets romantisch aan een zwoele zomeravond, helemaal alleen te wandelen in een duister stadspark verlicht met ouderwetse lantaarnlampen en slenterende koppeltjes. In zichzelve gekeerd jakkerde hij voort met zijn hoofd gebogen, een mens liep verloren in een stad die hij door en door kende. Een mens op de dool in een vluchtig leven met eeuwige twijfel of hij het wel goed deed in zijn leven. Hij had geen verhaal meer te vertellen, er was enkel verveling en geen enkele interesse in wat hij deed. Een mens zonder enige ambitie.
Het duistere park kreeg een goudgele gloed. Hij zag een glazen huisje, een veranda, een soort serre verlicht door tientallen kaarslichtjes en kleine lampjes, vol met keuvelende mensen aan tafeltjes en die iets dronken. In het schemerzachte duister las hij de witte letters die nog nauwelijks zichtbaar waren: ‘Bunkier Café’. Hij bleef staan, koude rillingen over zijn lijf met een hoofd vol herinneringen. Het gaf geen goed gevoel hier te zijn, alleen een desolaat gevoel, verlatenheid, zonder dromen. De vermoeidheid drukte hem naar beneden. Gezelligheid en romantiek op een magische plek, een ouwe mensenziel had hij van kindsbeen af, een eenzame ouwe mensenziel die niets had met romantiek en romantische gedachten. Hij keek niet meer om naar die lichtjeszee en schoffelde bedrukt verder in een leven waarin hij niet leefde. De oude lantaarnlampen strooiden lichtende aureooltjes op de grond, lichtstraaltjes tussen de bomenrijen. Een gebogen mens zonder echt een verhaal mompelde stilletjes en slofte verder.
In zijn hoofd spookten het verlanglijstje van Herman de Coninck:

Geef me Nescio en Tsjechov, oude boeken. Geef me na mijn zoveelste kale reis iemand die mij twee haren uittrekt en glimlachend zegt: je wordt grijs. Geef me niets en zeg: dat is alles. Geef me mijzelf, geef me jou. Ik heb gezocht naar wist ik maar wat. Geef me nu eindelijk wat ik altijd al had.

Het zijn voorbijgaande nietszeggende zomerverhalen.


Licht en schaduw

Hij schreef kleine briefjes, kattebelletjes, woordjes op stukjes papier, gedachtekronkels en stukjes herinneringen. Hij stak ze weg en vergat ze of verloor ze, vond ze soms na jaren weer terug. Zijn leven in krabbels, petieterig klein, onbeduidend nietszeggend. Zijn kleine wereld waar hij veel over nadacht maar hij geraakte er nooit aan uit. Was de wereld te moeilijk, het leven zelf of was hij gewoon te gevoelig en naïef om te zien wat het echte leven werkelijk was.
De stilte van het zwijgen als alle woorden reeds gezegd zijn. Geleidelijk wegdeemsteren tot er niemand hem nog kende. Een vluchtig windvlaagje, een zuchtje die het laagje stof wegblies en enkele stofpluisjes overbleven. Hij kroop dieper weg in de onbestaandheid, een zuchtje slechts. Hij stond voor zijn boekenkast waar boeken stonden die hij enkel streelde zonder ze ooit te lezen maar hij keek er graag naar. Hij streelde zo ook de liefde maar dat zuchtje wind blies het weer weg. Stukjes van zijn onbeduidend leven.

Licht en schaduw en rozen die verwelken is wat ik heb.


Papieren schrijfsels

Hij schreef korte briefjes, kattebelletjes met sepiakleurige vulpeninkt en liet ze achter op openbare plaatsen waar mensen ze gemakkelijk konden vinden. Wie zin had of nieuwsgierig was kon ze lezen. Het gaf hem een gevoel dat hij er was, dat men wist dat er een mens was die voor andere mensen een boodschap achterliet. Hij liet nooit een naam of contactadres achter, daar was het hem niet om te doen. Hij had getwijfeld zoals hij al heel zijn leven twijfelde. Een outsider die langs de kant van de weg stond of langs de kant van het leven en vol verwondering keek naar het leven van anderen dat er totaal anders uitzag dan het zijne. Een mens beperkt in zijn beperkingen, zonder veel ambities, met vervagende dromen en stilaan tevreden dat het dat maar was. Ze zullen hem waarschijnlijk niet herinneren als een extravagant iemand die succesvol was want hij zat liever in de schaduw van het onbekend zijn.

 

“Ik hou van het frêle winterlicht, van dat doorzichtig grijs met zachte pasteltinten verweven, meer dan het harde zomerblauw die voor donkere schaduwen zorgt. Ik wentel me dan in mijn melancholische weemoedige winterjas en droom verder samen met jou”.

 

Soms stond hij enigszins verborgen bij de plek waar hij zijn boodschapjes achterliet en keek wie zijn briefje vond en las. En hij glimlachte mee als de lezer of lezeres glimlachte bij het lezen van zijn tekstje. Hij zag sommigen verwonderd rondkijken op zoek naar wie dit achterliet. Het maakte zijn dag goed, dan kon hij terug naar de stilte van zijn huisje en tevreden zijn met dit kleine gelukzalige moment.

En ’s avonds stond hij voor zijn vensterraam en zag in de verte door de takken van de bomen de lichtjes van de trein voorbijrijden. Een rij glimwormen die voorbijgleed op een vast cadansritme. Het was zijn enigste reis die hij ondernam, een reis in zijn fantasierijke verbeelding. De trein der verbeelding die hem een beetje hoop gaf, een gevoel van reizen, van gelukkig zijn.

 

“Ik wil met je reizen in mijn fantasierijke verbeelding, mijn dromen delen met jou en jou zien lachen met die kuiltjes in je wangen. Ik laat jouw mijn wereld zien in ruil voor die lichtjes in je ogen.”

 

 

En zo kabbelde het leven verder.


Muziek als troost

Zwartglanzende asfaltstraten in de regen met waterplassen die opspatten door voorbijrijdende auto’s. Hij keek er naar, vensterstaren naar de buitenwereld en voelde zich nutteloos. Anoniem blijven rondzwerven in het leven, voortkabbelen in de grijsheid, in de stilte van het bestaan. Hij vreesde de stilte niet, hield zelfs van de stilte.

“Ik weet het mijn lief dat ik de liefde niet ken. Ik weet het mijn lief dat ik je nog niet ken en misschien nooit zal leren kennen. Muziek als troost dwarrelt doorheen mijn lichaam en beroert mijn zintuigen, streelzachte klanken die mij koude rillingen geven. Flarden herinneringen, voorbij momenten, het verleden in een mooie verpakking. Afgebrokkelde romantiek, de liefde is ver te zoeken en ik wil het niet langer vinden”.

Hij had al lang geen liefdesverhaal meer geschreven en wist helemaal de woorden niet meer te vinden. De tijd had het hem verleerd. Sabberende, miezerregen brachten troost in de melancholie van het ouder wordende leven. Het decor waar hij naar keek was nochtans een romantisch plaatje voor wie het wou zien. De ochtendnevel legde een laagje boven het landschap en boven de nevel zag je de zachte contouren van de kerkspits met daarnaast de prachtige gloeiende volle maan. Het waren melancholische overpeinzingen in een ouderwets kleedje. Hij verlangde naar de romance van het leven al beweerde hij van niet. Met zijn armen rondom je heen en een zachte kus in je nek en fluisteren in je oor wat alleen voor jou bestemd is.

De kalenderblaadjes vielen als herfstbladeren in de wind, de dagen wapperden weg en werden ongrijpbaar, kwamen nooit meer terug. Hij stond er altijd verbaasd naar te kijken naar al die ongrijpbare tijd die nooit meer terug kwam. Er lag terug een voorbij moment voor hem op tafel die morgen. Voor altijd weg, voor altijd voorbij in zijn leven. Een herinnering, een fait divers in het dagelijkse bestaan. In zijn hoofd zaten ook kalenderblaadjes. Verdwaalde gedachten met flarden muziek op de achtergrond die je emoties bezorgden, blijdschap en verdriet, zomaar niet te stoppen, zonder verklaring.

Hij dwaalde verder in de broeihaarden van zijn wollig hoofd vol onuitgevoerde dromen en plannen. Als in een kamer vol ongelezen boeken waar je verlangend naar zit te kijken en uiteindelijk enkel miljoenen lettertjes ziet zonder samenhang. Zijn onschuldige leefwereld bestond niet meer, het kind in hem was voorgoed gestorven. Hij wou zwerven en ergens een thuis vinden en thuis komen maar zette nooit een stap buiten het huis. Heimwee hebben naar iets van vroeger maar het niet goed meer weten wat het was. Zijn ogen werden vochtig als altijd wanneer de weemoed tevoorschijn kwam.

Soms zag je een man dwalen, kuieren, slenteren in de regen met een fototoestel beschermd tegen de nattigheid onder zijn regenjas. Hij zag wat anderen niet opmerkten of er geen aandacht aan schonken. Hij fotografeerde de kleurrijke reflecties van de regenwereld in waterplassen en reflecterende asfalt. Hij vond het fijn om de regen te horen tikken tegen zijn regenjaskap. Het gaf hem een soort beschermd gevoel en ook een rustgevend gevoel door het monotoon geluid. Het waren die heel kleine dingetjes die wat blijdschap gaf in zijn rusteloze ziel. Een paar uurtjes maar want dan sloeg de onrust weer toe en kwamen weer angstgevoelens naar boven dat er iets mis zou kunnen gaan. Als je niets beleefde dan was wandelen in de regen al een avontuur, als je nergens heen ging dan was je verplicht om te dromen en te dolen in je fantasie.

Hij dronk witte martini en schrokte chips naar binnen, hij las zijn boeken en waande zich één met de figuren van het verhaal. Eventjes weg van grijze werkelijkheid. Hij bekeek honderden foto’s in zijn talrijke fotoboeken en op het internet en fantaseerde dat hij dat ook kon, dat hij daar ook op die plek was, dat hij ook een fotograaf was. Een man zonder plannen die een einddoel wou hebben. Een man zonder plannen zonder doel dat was hij al. Hij had enkel de plicht om te doen wat hij moest doen, zonder excuses, zonder uitvluchten, hij had nog altijd werk en dat werk zou hij zo goed mogelijk doen. Een ongenietbare man vol verplichtingen. Hij genoot van al die mooie foto’s, een boeiende visuele wereld waar hij een beetje jaloers naar zat te kijken omdat hij nooit zulke foto’s zou maken.

De mens in hem was gestopt met zich te ontwikkelen, er kwamen geen externe prikkels meer naar binnen en het enthousiasme van de jeugd bestond niet meer. Hij zag de schoonheid van de wereld niet langer meer door de lens van zijn fototoestel en had het gevoel dat hij het allemaal al gezien had. En weer voelde hij tristesse in zijn diepste vezels omdat de passie van zijn fotografie aan het verdwijnen was. En omdat er niets in de plaats gekomen was, enkel leegte en verveling. Het was de angst om niet meer mee te kunnen met de huidige fotografen. Het gevoel dat hij het niet meer kon, dat de rest beter waren dan hem. Vol bewondering en een tikkeltje afgunstig staan kijken naar die mooie foto’s van anderen.

Hij zat aan zijn schrijftafel voor de venster die uitkeek op de reien waar sierlijke zwanen voorbij peddelden. Zijn laptop stond aan en een vaasje met tulpen stond er naast, een restje koffie in een wit kopje en verder niets. Hij schreef zijn verhalen, zijn bedenkingen, zijn opgesloten gedachten neer. Zijn frustraties, zijn kijk op de wereld, zijn beelden in zijn hoofd. Af en toe keek hij naar buiten en zag aan de overkant van het water toeristen die een koffer op wieltjes achter zich sleurden over de kasseikoppen. Hij tikte woordjes in de volstrekte stilte van zijn werkkamer waar enkel nog een lederen chesterfieldfauteuil stond met een bijzettafeltje. Het was zijn kloosterkluis die de rust moest geven om te kunnen schrijven, om die stoffige overvloedige chaos in zijn hoofd te kunnen ordenen. Hij moest hier zijn om het alleen-zijn en de eenzaamheid te verdrijven tussen de wereldbezoekers van deze mooie stad. Hij moest hier zijn om alleen te zijn met zichzelf in zijn klein schuiloord. Een rijhuisje met één slaapkamer en bijhorende badkamer, een living met keukentje en zijn werkkamer. Het was niet groot maar groot genoeg voor hem. Hier zat hij in zijn fantasiewereld.

“De camper rijdt door de weidse natuur in een gezapig tempo zodat je kan genieten van het uitzicht. Een fotografische roadtrip waar tijd geen belang speelt. Het einddoel heeft geen belang, het onderweg zijn wel. Een reis met als enige doel de afgelegde weg vast te leggen in beelden. Zijn compagnon de route, zijn eveneens fotograferende gezellin was mee. Samen reizen, liefde en leed delen. Je hebt genoeg aan elkaar als je alle dagen vreemde mensen ontmoet. Weet je mijn lief dat ik bang ben voor de liefde, de liefde die komt en soms weer gaat. De liefde is samen onderweg zijn naar onbekende bestemmingen. Ik wil je fotograferen als je rustig naakt ligt te slapen, je ogen toe, je gezicht totaal ontspannen als kinderlijke onschuld. Ik wil je schoonheid voor altijd vastleggen in tijdloos zwart-wit met dat glimlachje op je gezicht, met die kleine rimpeltjes, onvolmaakte volmaaktheid. Daarna kruip ik bij je en neem je vast en voel me gelukkig”.